Laatste berichten

december 2009

ma di wo do vr za zo
  1 2 3 4 5 6
7 8 9 10 11 12 13
14 15 16 17 18 19 20
21 22 23 24 25 26 27
28 29 30 31      

Koppelingen

Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

Lage Landen / Pays Bas
Deze weblog is gewijd aan de Lage Landen. Onder de Lage Landen verstaan we doorgaans het deltagebied van Rijn, Maas en Schelde. Het maakt geografisch deel uit van de Noord-Duitse laagvlakte, maar sinds de vroege Middeleeuwen heeft het een identiteit ontwikkeld die los staat van zowel Frankrijk als Duitsland.

De Lage Landen vormen een geografisch gegeven en in zekere zin een cultuur-historische eenheid. Sinds 1477 vormden de kerngewesten Holland, Vlaanderen en Brabant een unie. Ondanks dat de oude Nederlanden sinds het einde van de 16de eeuw zijn verscheurd leeft het idee van een (herstelde) eenheid voort.

Hier zal worden bericht over nieuws dat betrekking heeft op de geschiedenis en de cultuur van de oude Nederlanden, alsmede organisaties die zich bezig houden met de studie daarnaar. Het doel is om de kennis en inzicht in de geschiedenis van de oude Nederlanden te vertrekken en het idee van eenheid levend te houden.

Hiernaast: de XVII Provinciën van de oude Nederlanden weergegeven als een Leeuw (Leo Belgicus= Nederlandse Leeuw)

11 april 2009

Calvijn en de XVII Provinciën

Het Instituut voor Reformatieonderzoek heeft in maart 2009 een rijk geïllustreerd kijk- en luisterboek met de titel Calvijn en de Nederlanden gepubliceerd. Bekende auteurs uit Noord en Zuid werken hieraan mee. Het boek gaat in op de persoon van Calvijn, de beelden die over hem bestaan, de tijd waarin hij leefde en de verspreiding van zijn werken.

Daarnaast is er veel aandacht voor de invloed die Calvijn heeft gehad op het gebied van religie, bouwkunst, kunst in het algemeen in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, huwelijk en echtscheiding, opvoeding etc. Speciaal aandachtsveld is het thema kerkmuziek en alles wat Calvijn daarvoor heeft betekend. Calvijn en de Nederlanden heeft als bijlage een unieke CD van het bekende ensemble Camerata Trajectina onder de titel: 'Calvijn in de Gouden Eeuw'.

Inhoudsopgave:

1. Zicht op de Reformatie, Olivier Fatio

2. Genève in de tijd van Calvijn, Béatrice Nicollier

3. Beelden van Calvijn, Herman J. Selderhuis

4. Calvinisme in Vlaanderen, Guido Marnef

5. Calvinisme in de Nederlanden, William den Boer

6. Calvijn, een schets van zijn leven en werk, Elsie McKee

7. Calvijns vrouwen, Machiel A. van den Berg

8. Calvijn: mythe en werkelijkheid, Isabelle Graesslé

9. Calvijn en de jeugd: kinderen en jongeren in de theologie van Johannes Calvijn, Anneke Kloosterman van der Sluys

10. Calvijn en de muziek, Jan Smelik

11. Het Geneefse Psalter, Jan R. Luth

12. Het Geneefse Psalter in Nederland, Jan R. Luth

13. Calvinisme en beeldende kunst in de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw, Ilja M. Veldman

14. Calvijn over huwelijk, seksualiteit en echtscheiding, John Witte jr.

15. 'Tot troost en onderwijzing'. Nederlandse Calvijnvertalingen tot 1618, Mirjam G.K. van Veen

16. Calvijn in Hasselt, Herman J. Selderhuis

17. CD Camerata Trajectina, Louis Grijp

Bron: Jubileumwebsite 500 jaar Calvijn

3 april 2009

Hollandse sporen op Manhattan

Ter ere van de 400e verjaardag van de aankomst van Henry Hudson in Manhattan, is er een wandeling georganiseerd langs Nederlandse historische plekken in het voormalige New Amsterdam. Zie deze video.

9 maart 2009

Nederlands archief vergaan in Keulen

Het Historisch Stadsarchief in Keulen bevatte een schat aan documenten die van grote waarde waren voor Nederlandse historici. Dat zegt de Leidse wetenschapper Geert Janssen vandaag. Met het instorten van het archief zag hij in één dag zijn belangrijkste onderzoeksmateriaal verloren gaan.

„Keulen is een aartsbisdom. Tot de zestiende eeuw werd vanuit deze Duitse stad een omvangrijk deel van Nederland kerkelijk bestuurd. Voor veel mensen die onderzoek doen naar de middeleeuwen is dit dan ook een plek van grote betekenis. In het archief van Keulen lagen veel waardevolle documenten over Nederland, die veelal in zeer goede staat waren.”

Janssen promoveerde in Leiden en werkte tot voor kort in Cambridge. Sinds dit jaar is hij als postdoc terug aan de Universiteit Leiden. Hij bestudeert het leven van Nederlandse katholieken die in de tachtigjarige oorlog naar Keulen vluchtten, om zo aan het juk van Willem van Oranje te ontkomen.

Ook voor de periode ná de tachtigjarige oorlog was het Stadsarchief een belangrijke bron voor onderzoekers uit Nederland, zegt Janssen. Keulen ligt op een strategische plek aan de Rijn en was daardoor altijd een belangrijke handelspost. Economische historici konden er onder meer handelsregisters uit die tijd bestuderen. Bovendien had Keulen ook een oude universiteit, waar vele Nederlanders studeerden.

Aanvankelijk had Janssen gepland om midden maart naar Keulen te reizen voor onderzoek. „In het Stadsarchief lagen namenlijsten van de katholieke vluchtelingen. De Jezuïeten van het Maria-broederschap, waarbij velen zich aansloten, documenteerden alles heel goed. Zo zijn er boeken waarin beschreven staat welke activiteiten er voor hen georganiseerd werden. Ik vrees dat deze verloren zijn gegaan, net als vele brieven uit die tijd.”

De Leidse wetenschapper heeft een klein sprankje hoop dat van de namenlijsten films en foto's zijn gemaakt. „Hopelijk heeft iemand die in zijn bezit. Maar ook dan kan het maanden of jaren duren, voordat ik die kan zien. Bovendien hebben de Keulse archivarissen nu wel wat anders aan hun hoofd dan voor elke wetenschapper uit te zoeken wat er precies bewaard is gebleven”, aldus de historicus.

Janssen noemt het rampzalig wat er in Keulen gebeurd is. „Er lag daar zo veel mooi materiaal dat nog nauwelijks door iemand bestudeerd is. Niet alleen voor onderzoekers die de Nederlandse geschiedenis bestuderen; voor onderzoekers uit heel de wereld is er veel verloren gegaan.”

De komende tijd moet Janssen zich bezinnen op de voortzetting van zijn onderzoek. „Ik weet wat er in Keulen lag, ik weet dus precies wat ik mis in mijn onderzoek. Dit daagt mij tegelijkertijd uit om creatief te zijn met materiaal dat elders opgeslagen ligt.”

Bron: Trouw, 9 maart 2009

27 februari 2009

Nauwere samenwerking Benelux-Marine

’Eén marine met België is stap te ver’

door George Marlet

De samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische marine is ongekend innig. Al houden beide landen voorlopig wel een eigen zeemacht.

Van een afstand valt het fregat in de Nieuwe Haven in Den Helder niet uit de toon. Dichterbij blijkt het schip een afwijkend registratienummer te hebben: F931.

Ook de naam is voor Nederlandse begrippen ongebruikelijk: Louise-Marie. De Nederlandse marine vernoemt tot nog toe geen schepen naar vrouwen. De Belgische marine daarentegen wel, in dit geval gaat het om de vrouw van de eerste koning van België, Leopold. Het Multipurpose-fregat Leopold – een fregat dat zowel doelen onder als boven het water kan opsporen en bestrijden – is al op weg naar de Middellandse Zee om de VN-operatie voor de kust van Libanon (Unifil) te leiden.

Zonder de samenwerking met de Nederlandse marine zou de Unifil-operatie niet mogelijk zijn. „Ik schroom niet om te zeggen dat het voor ons moeilijk zou zijn om als marine te overleven”, zegt admiraal Jean-Paul Robyns, tweede man van ’Admiraal Benelux’. In deze staf, gevestigd in Den Helder, werken de marines van Nederland en België steeds nauwer samen. Zo nauw dat de vraag voor de hand ligt of de twee landen niet met één zeemacht toe kunnen. Nee, zegt luitenant-generaal Rob Zuiderwijk, commandant van de Nederlandse marine. „Zo lang er geen gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid is, willen beide landen een gebalanceerde marine die zelfstandig kan reageren op verschillende situaties. Maar door de samenwerking zijn we wel in staat om meer te doen. En dat we die samenwerking intensiveren, is een logische ontwikkeling.”

Tamelijk geruisloos zijn de Nederlandse en Belgische marine vervlochten geraakt tot een organisatie die in hoge mate uitwisselbaar is. De Belgische marine, aanzienlijk kleiner dan de Nederlandse, is dankzij de aankoop van twee Nederlandse Multipurpose-fregatten (ook wel aangeduid als M-fregat) nu in staat om internationaal haar partij mee te blazen. De fregatten worden in Nederland door Nederlands en Belgisch personeel onderhouden, samen met de drie Nederlandse zusterschepen. Verschillende opleidingen zijn gecombineerd, in Den Helder en op de vlootbasis in Zeebrugge. Beide commandanten spreken van een win-winsituatie. „Met de grootste win aan de Belgische kant”, erkent admiraal Robyns. Zijn collega Zuiderwijk beschouwt het als winst dat de Nederlandse marine door de samenwerking doelmatiger en flexibeler kan werken.

Nederlandse officieren werken tijdens de Unifil-missie voor de kust van Libanon (bedoeld om wapensmokkel tegen te gaan) aan boord van BNS Leopold. Belgische marineofficieren draaien vanaf augustus op Nederlandse schepen mee als Nederland de EU-missie Atalanta (tegen piraterij) leidt. Admiraal Robyns wil volgend jaar tijdelijk overtollige Belgische officieren aan boord van Nederlandse schepen plaatsen.

Naast de bestaande gezamenlijke opleidingen zijn er plannen voor een nieuwe technische opleiding in Den Helder en Zeebrugge. Op het gebied van materieel werken Nederland en België al langer samen. De bouw van de mijnenjagers was een gezamenlijk project. Als er – rond 2025 – een opvolger moet komen voor de M-fregatten, vindt admiraal Robyns het ’niet meer dan logisch’ dat Nederland en België samen optrekken. Dat geldt mogelijk op kortere termijn ook voor het onderhoud van de nieuwe marinehelikopter NH-90 en de opleiding van monteurs en vliegers.

Bij de samenwerking is de Franse taal nog weleens een barrière. De bijna vierhonderd kilometer die Zeebrugge van Den Helder scheiden, is ook een hobbel. „Als ze hier eenmaal zitten, willen ze niet meer weg”, zegt Robyns, zelf met tussenpozen meer dan elf jaar in Den Helder geplaatst. Lachend: „Vroeger kon je in Den Helder moeilijk aan een goeie fles wijn geraken of een goed restaurant, maar dat verbetert met de dag.”

Bron: Trouw, 27-02-2009

25 februari 2009

Ambiorix: Tongeren of Venlo?

Tongeren laat Ambiorix niet afpakken door Venlo
,,Ambiorix is van Tongeren en blijft in Tongeren. Niemand neemt Ambiorix van ons af ”, zegt Jean Marie Smullenburg, ‘commandeur’ van de Tongerse carnavalsvereniging stoer. Hij richt zijn waarschuwing tot programmamaker Frans Pollux uit Venlo.
Door Ray Simoen

Die had bij het begin van het carnaval via regionale tv-zenders in Belgisch en Nederlands Limburg laten weten dat hij nog vóór het einde van aswoensdag het beeld van Ambiorix weg zou komen halen om het naar Venlo te verslepen. Want Ambiorix is hoogstwaarschijnlijk een Venlonaar. Niet ver van Venlo, in het Jammerdal had Ambiorix in 54 voor Christus de troepen van Julius Caesar in de pan gehakt. Ambiorix’ standbeeld hoort dan ook in Venlo te staan, zo had Pollux eerder in een opiniestuk in deze krant vorig jaar beweerd: een bewering, die hij nadien ook nog tijdens de Venlose revue De Slaag um ’t Jaomerdal had herhaald.

,,Laat Pollux maar komen, we lusten hem rauw. Niemand komt aan onze Ambiorix. We hebben een groot aantal sterke Ambiorix-mannen klaar staan om het beeld in Tongeren te houden”, laat Smullenburg weten. Hij weet zich geruggensteund door burgmeester Carmen Willems. Zij had haar instemming betuigd met een door jeugdprins Jordy I voor de regionale zender TV Limburg voorgelezen proclamatie dat er ,,onweerlegbaar” bewijs is dat Ambiorix uit Tongeren komt en dat zijn standbeeld nergens anders thuis hoort dan in Tongeren.

Of Pollux daadwerkelijk nog het beeld van Ambiorix uit Tongeren komt halen, kon dinsdag niet achterhaald worden. Via de antwoordfunctie op zijn gsm-apparaat liet de Venlonaar weten dat hij in New York zit. Maar het kan ook een carnavaleske schijnbeweging zijn om de Tongerse Ambiorix-bewakers te misleiden...

Bron: De Limburger/Limburgs Dagblad, 24-02-2009

Noot van de redactie: Sinds 23 januari van dit jaar vormen de twee Limburgse dagbladen uit Nederlands en Belgisch Limburg gezamenlijk een redactie in het teken van grensoverschrijdende Limburgse samenwerking. Een voorbeeld ter navolging door Brabant en Zeeland?

23 januari 2009

Calvijn 2009: Doornik, Genève van het noorden

Doornik, ooit het Genève van het noorden

In de zestiende eeuw had het protestantisme meer ingang gekregen in de zuidelijke dan in de noordelijke Nederlanden. Een deel van het huidige België was zelfs enige tijd streng calvinistisch. In vier artikelen maken we een tocht door het Belgische land: Doornik, Gent, Kortrijk en Antwerpen, met als afsluiting een interview met een historicus. Deel 1: Doornik.

Auteur: Jan van Reenen
Het hart van de prachtige stad Doornik is het marktplein. Het kijkt uit op de imponerende kathedraal waarvan vijf torens boven de huizen uitrijzen. Aan de andere kant staat de slanke toren van het Belfort. Op het plein staat ook het meer dan manshoge monument van Christine de Lalaing. Ze wijst met haar ene hand naar de kathedraal en in haar andere houdt ze een wapen vast. Ze hebben alle drie -de kerk, het Belfort en het monument- met de hervorming te maken. Van Guido de Brès, degene wiens naam onafscheidelijk aan de geschiedenis van Doornik verbonden is, lijkt echter geen spoor te ontdekken. Of toch wel?

In Doornik (”Tournai” is beter) spreken de inwoners Frans. Het ligt in de provincie Henegouwen, precies over de grens met Vlaanderen en vlak bij de grens met Frankrijk. De stad telt ongeveer 70.000 inwoners en is na Tongeren de oudste stad van België.

Tournai is in het verleden verschillende keren Frans gebied geweest, en ook een keer Engels, Spaans, Oostenrijks en Nederlands.

In de tijd van de hervorming speelde Doornik een belangrijke rol. Het was de meest protestantse stad van de Nederlanden en werd zelfs het Genève van het noorden genoemd. Op zeker moment, rond 1566, waren 18.000 inwoners van de 25.000 inwoners protestant. Het is inmiddels toch allemaal anders geworden.

Rue Marvis
Eerst maar eens zoeken naar sporen van Guido de Brès, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die hier gewoond heeft. Stadsgids Frederica de Rop weet wel waar het huis van de Doornikse hervormer gestaan heeft. „De Brès woonde aan de overkant van de Schelde, die door de stad stroomt, in de Brixiuswijk. Daar was niet de bisschop van Doornik, maar van Kamerijk de baas. Hij had een schuilnaam en noemde zich Jerome.”

Het is spitsuur. Het kruispunt is geblokkeerd. De stadsgids wijst naar een gedeelte van de oude stadsmuur dat is blijven staan. „Guido de Brès woonde hier vlakbij, in de Rue Marvis. Hij had zijn boeken en documenten in een tuinhuisje bij de muur verstopt.”

Guido de Brès („Guy de Bray, zoals hij heette, en hij sprak alleen maar Frans”) is bekend geworden door het opstellen van een geloofsbelijdenis, de Confessio Belgica, de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij werd in 1522 in Bergen (Mons) geboren. Door zijn beroep als glasschilder kwam hij in aanraking met de Bijbel en hij werd calvinist. Guido de Brès studeerde onder andere bij Calvijn voor predikant. In 1559 vestigde hij zich in Doornik, waar de calvinistische invloed snel toenam.

In 1561 trok een grote groep protestanten meerdere avonden psalmenzingend langs de huizen van de burgemeester, de schout en de bisschop. In deze ”chanteries” zat een strijdmotief, waarin Guido de Brès zich niet kon vinden. Hij vond dat je je op een nette manier moet presenteren en dat je de overheid moet gehoorzamen.

Tour Henri VIII
Op de geruchten dat honderden jongelui in Doornik op straat Franse psalmen zongen, stuurde de regering twee ambtenaren, die verblijf hielden op het kasteel. Dat was gebouwd door de Engelse koning Hendrik VIII, die in 1513 Doornik veroverd had. Aan het uiteinde diende een massieve toren (”Tour Henri VIII” genoemd) als wachttoren.

Het kasteel staat er niet meer, maar de toren nog wel. De toren bevat twee ronde, boven elkaar geplaatste zalen en wordt verlicht door een ronde opening in de koepel. De muren hebben aan de voet een dikte van ruim zes meter. De metershoge steenmassa in het park bij de Rue du Rempart staat op dit moment in de steigers, maar de deur met de woorden ”Tour Henri VIII (1513-1518)” niet.

Guido de Brès wilde de overheid een geloofsbelijdenis aanbieden, maar dat kon niet, omdat hij gezocht werd. Daarom gooide hij, of een medewerker, in de nacht van 1 op 2 november 1561 een pakket, bestaande uit de geloofsbelijdenis en brieven aan verschillende overheden, over de buitenste muur van het kasteel van Hendrik VIII.

Ambtenaren lieten in de stad een onderzoek instellen. Guido de Brès vluchtte de stad uit, maar het tuinhuisje, waarin hij zijn boeken bewaarde, werd ontdekt en viel in handen van de vervolgers. Zijn boeken gingen verloren.

Veroordeeld
Na een paar jaren rondgezworven te hebben, ging De Brès in 1566 naar het dicht bij Doornik gelegen Valenciennes. De protestantse stad werd belegerd en ingenomen. Guido de Brès wist te vluchten, samen met enkele anderen. Ze werden ontdekt toen ze naar een herberg gingen om wat te eten. Guido de Brès en medepredikant Peregrin de la Grange werden ter dood veroordeeld.

In een brief in de gevangenis schreef hij: „Deze leer die u hebt gehoord, is dezelfde die onderwezen is door de apostelen en bewaard in de Vroege Kerk, vervolgens verzegeld en bekrachtigd door het bloed van alle martelaren. En als het God behaagt mij daartoe te brengen, zal ik geen enkel bezwaar maken haar te verzegelen door mijn eigen bloed.” Hij werd opgehangen.

De door Guido de Brès geschreven Nederlandse Geloofsbelijdenis is nog steeds een van onze belijdenisgeschriften. Helaas is er in Doornik niets dat direct aan hem herinnert, zelfs geen straatnaam. Zou De Brès het zelf gewild hebben?

Grote Markt
In Doornik had de hervorming al vroeg haar intrede gedaan. De eerste calvinistische predikant was Pierre Brully, die in 1545 op de Grote Markt verbrand werd. Stadsgids De Rop wijst naar het Belfort en zegt dat hier vroeger de gevangenis was voor geloofsvervolgden. Ze vertelt van Marie de Pierré, die in 1545 levend begraven werd op de Grote Markt. Anderen werden onthoofd of opgehangen of ze kregen een brandmerk. Vanaf 1 juli 1541 is het schavot jarenlang op de Grote Markt blijven staan.

De magistraten kondigden, aldus Frederica, vonnissen af vanaf een soort balkon van La Breteque, nu café ”le Central”. Hier werden in 1568 ook namen voorgelezen van gevluchte hervormden, onder wie Ambroise de Wille, die in deze omgeving veel hagenpreken had gehouden.

De stadsgids wijst op een galerij aan een muur van de kathedraal, vanwaar hoogwaardigheidsbekleders terechtstellingen, die ook hier uitgevoerd werden, konden volgen. Eens trok in de kathedraal Bertrand le Blas met Kerst de hostie uit de handen van de priester. „Misleide mensen, denken jullie dat dit Christus is, jullie Heere en Meester?” riep hij. Toen brak hij het brood in stukken en vertrapte het op de vloer.

Klik hier!

Vreselijk was zijn straf. Zijn rechterhand en rechtervoet werden met hete ijzeren tangen uitgetrokken, evenals zijn tong, en hij werd boven een langzaam brandend vuur geroosterd tot hij verbrand was. Daarna werd zijn as in de Schelde gestrooid.

Christine de Lalaing
Nog is de vraag niet beantwoord wat het monument op de markt voorstelt. Het is een bronzen beeld van Christine de Lalaing. Zij was de protestantse vrouw van de gouverneur, die in 1581 de stad verdedigde tegen de Spaanse troepen onder leiding van Farnese, de hertog van Parma. Haar vurige bezieling mocht niet baten, want de stad werd na een langdurig beleg ingenomen. De calvinisten kregen een jaar de tijd om de stad te verlaten. Vanaf die tijd is het gedaan met de invloed van het calvinisme in Doornik.

Haar standbeeld siert het marktplein vanaf 1863. „De kanunniken van de kathedraal waren boos dat een protestantse een standbeeld gekregen had, dat ook nog eens naar de kathedraal wees. Daarom ging de jaarlijkse processie niet over de Grote Markt. Dat is pas in 2001 veranderd”, aldus Frederica.

Protestanten
De protestantse kerk van Doornik is gevestigd in twee samengevoegde huizen die dateren uit 1175. In het interieur valt een groot houten kruis aan de muur op.

Ds. Jean-Joseph Hugé vertelt dat zondags meestal niet meer dan twintig mensen de kerk bezoeken. „Ik ben geen calvinist, maar een christen”, zegt hij. Ds. Hugé houdt soms een oecumenische dienst samen met de rooms-katholieken.

De tijden zijn veranderd.



Calvinistische bezienswaardigheden in Doornik:

1. De Onze Lieve Vrouwekathedraal, waar Bertrand le Blas de hostie uit de handen van de priester trok.
2. Het Belfort, waar ook calvinisten gevangenzaten.
3. De Grote Markt, waar geloofsvervolgden terechtgesteld werden.
4. De Rue Marvis met het stukje oude stadsmuur, waar Guido de Bres in de omgeving woonde.
5. De Hendrik VIII toren, waar de geloofsbelijdenis over de muur werd gegooid.

Bron: Reformatorisch Dagblad, 8 januari 2009

12 januari 2009

Jean-Marie Gantois en Frans-Vlaanderen

Geachte lezer,

Graag zouden wij u het bezoek van deze website over Jean-Marie Gantois willen aanbevelen: http://www.jeanmariegantois.com/

Jean-Marie Gantois was tijdens het Interbellum (maar ook na de oorlog) een voorvechter van Frans-Vlaanderen.

24 december 2008

Hugo de Schepper benadrukt gezamenlijke geschiedenis

Vijfhonderd belangstellenden op Dutch American Heritage Day

BREDA – In de Grote Kerk van Breda woonde zaterdag circa vijfhonderd man publiek de Dutch American
Heritage Day van de Stichting Nederland-VS bij.
Vijf sprekers, onder wie consul generaal van de VS Marjorie Ames (foto), deden op een symposium de Nederlandse invloed op de vorming van New York uit de doeken, waarbij de zeventiende eeuwse Bredase jurist Adriaen van der Donck centraal stond. Jeremy Bangs, directeur van het Pilgrimfathers Museum in Leiden, nuanceerde de veelgeroemde Nederlandse tolerantie als 'eerder een ideaal dan praktijk'. De Vlaamse professor Hugo de Schepper kritiseerde verder de kunstmatige tegenstelling tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden zoals de gepresenteerd wordt in de momenteel lopende tv-serie van NPS/VPRO 'Het verleden van Nederland'.
Bron: BN/De Stem, 17-11-2008

13 december 2008

Twee Limburgen sluiten verdrag

Belgisch en Nederlands Limburg als een geheel. Hun ambitie wordt breed gesteund. Er is ook protest: „Hier wordt een klef wij-gevoel opgeroepen.”

Maaseik, 10 dec. Steve Stevaert, de gouverneur van Belgisch Limburg, zegt het voor de zekerheid nog maar een keer: het is niet zijn bedoeling om zich af te scheiden van België of Vlaanderen. Dat hij deze dinsdagavond in het grensstadje Maaseik het Limburgs Charter tekent, waarin beide Limburgen afspreken voortaan zoveel mogelijk gezamenlijk op te trekken, heeft andere redenen. De eendracht moet beide provincies opstoten in de vaart der volkeren. „Grenzen zijn littekens uit een ver verleden”, vindt Stevaert. „Grenzen veroorzaken nooit welvaart.” Met andere woorden: weg ermee.

„Het Europa van de toekomst is een Europa van de regio's”, zegt Léon Frissen, commissaris van de koningin in Nederlands Limburg. „We willen kracht uitstralen en geen zwakte. Daarom moeten we af van het beeld van Limburg als de blindedarm van Nederland.”

De beide Limburgen werken al ruim dertig jaar samen in de Euregio Maas-Rijn met de Waalse provincie Luik, de Duitstalige gemeenschap in Belgie en de regio Aken. Het levert best wat op, maar het lukt niet om met vijven de snelheid te ontwikkelen die in de provinciehoofdsteden Hasselt en Maastricht gewenst wordt. Bij de feestelijke ondertekening van het Charter in Maaseik wordt het ontkend, maar in feite bestaat er nu een euregio van de twee snelheden. Het akkoord staat vol goede voornemens: grensoverschrijdend openbaar vervoer, een gezamenlijk project van de Limburgse kranten, onderwijssamenwerking, gezamenlijke gebiedsontwikkeling, één veiligheidsbeleid en nog veel meer. De slagroom op de taart: het zoveel mogelijk optrekken als één provincie met een West- en een Oost-Limburg.

Ter rechtvaardiging wijst het Charter op ‘de vele culturele en historische banden’. Maar zijn die er wel? Guido Wevers is geboren en getogen in het ‘West-Limburgse’ Maasmechelen. Hij leidt het Theater aan het Vrijthof in Maastricht, hoofdstad van ‘Oost-Limburg’. Dit voorjaar organiseerde hij een showavond over de verschillen en overeenkomsten tussen de beide provincies. „Als grap noemden we de toenadering een zomerliefde. Als de Maas, de grensrivier, laag staat, zoeken de beide Limburgen elkaar op. Maar hoe is dat in de winter?”

In de beleving van Wevers bestaat de grens niet meer. „Als ik als kind een winterjas nodig had, gingen we naar Hasselt en niet naar het dichterbij gelegen Maastricht. Als we al een keer naar Maastricht gingen, dan ging bij de grensovergang gejuich op in de bus als de commiezen je lieten doorrijden, omdat alle vrouwen boter in de voering van hun mantels smokkelden. Dat is allemaal veranderd.”

Het Charter heeft de sympathie van de theaterdirecteur. „Waar de beide Limburgen verschillen, is er sprake van complementariteit. Maar ze hebben ook een gemeenschappelijk verleden met de mijnen, ze delen een taal.”

Joep Leerssen, hoogleraar moderne Europese letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, winnaar van de Spinoza-premie en opgegroeid in Maastricht en Mheer ('Oost-Limburg'), zet vraagtekens bij de verwijzingen naar gemeenschappelijkheden. „Dat ene Limburg heeft feitelijk bestaan van 1815 tot 1830”, aldus de wetenschapper die van nationalisme zijn specialiteit maakte. „Voor wie het heel ruim neemt van 1795 tot 1839. Beide gewesten delen wel de gewaarwording van marginaliteit. Beide Limburgen zijn in de beeldvorming een beetje het sukkeltje van hun land. Elke poging om dat te doorbreken en te zorgen voor een betere economie, beter onderwijs en betere infrastructuur is heel verstandig. Maar laat ze niet aankomen met een verhaal over culturele gemeenschap met een lange, gezamenlijke historie. Dat is een verkooppraatje. Hier wordt een klef wij-gevoel opgeroepen, waar politici beducht voor zouden moeten zijn.”

Leerssen vermoedt dat de ambitieuze gouverneurs hun neus gaan stoten. „Het noorden en zuiden van Nederlands Limburg zijn al nauwelijks bij elkaar te houden. Het lukt niet om MVV, Roda JC en Fortuna Sittard samen te voegen. Zou het dan wel lukken met twee provincies in twee verschillende landen?”

Bron: NRC, 10-12-2008

23 november 2008

Zaal XVII Provinciën te Antwerpen

De 'Hollandse Zaal' in het Koninklijk Paleis te Antwerpen

geschreven door Jean Pierre van der Planken

Van 1814 tot 1830 waren Nederland en België onder koning Willem I verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden. In het Koninklijk Paleis aan de Meir te Antwerpen verwijst de Zaal der 17 Provinciën (ook Hollandse Salon genoemd) naar deze korte periode. De zaal was pas een maand voor het begin van de Belgische Omwenteling klaar. Ze heeft dan ook slechts gedurende enkele weken dienst gedaan als ontvangstruimte die de Oranjedynastie moest verheerlijken. Het is opvallend dat ze de revolutie heeft overleefd, én de 175 daaropvolgende jaren.

De Zaal der Zeventien Provinciën in het Koninklijk Paleis te Antwerpen 1943

De inrichting
Het paleis aan de Meir is in 1745-1748 in rococostijl gebouwd door architect J.P. van Baurscheit in opdracht van Joan van Susteren, heer van ’s Gravenwezel en telg uit een rijk geslacht van rooms-katholieke bierbrouwers uit ’s Hertogenbosch. Na diens dood kwam het Vorstelyck Huis, zoals het toen door de Antwerpenaren werd genoemd, achtereenvolgens in het bezit van de families de Fraula, Roose de Baisy en de Bergeyck. De weduwe van Graaf de Bergeyck verkocht het paleis in 1812, tijdens het Franse regime, aan het keizerlijk kroondomein. Napoleon had immers behoefte aan een passende residentie in zijn Antwerpse Quartier impérial, dat voor hem “als een pistool gericht op Engeland” van groot strategisch belang was en dat hij regelmatig bezocht om er de uitbreidingswerken aan haven en forten te superviseren. Architect Verly begon in het paleis meteen aan de nodige aanpassingswerken: het interieur heeft daardoor ook nu nog een Empirekarakter – vooral in de slaapkamers van keizer en keizerin. Maar Napoleon zou het resultaat nooit te zien krijgen. Degene die op 29 juni 1814 vanaf het balkon op de Meir wél de toejuichingen van het Antwerpse volk in ontvangst nam was zijn grootste vijand: de Russische tsaar Alexander I …
In 1815 werd het gebouw ter beschikking gesteld van Willem I, de nieuwe koning van de Verenigde Nederlanden.

Het Koninklijk Paleis aan de Meir te Antwerpen.

Vanaf 1827 droop het water langs de wanden van de eerste verdieping van het paleis tot op de gelijkvloerse verdieping. Er was een regenwaterreservoir op zolder om bluswater te hebben en het erbij horende regenafwateringssysteem was inefficiënt. Er moesten dan ook dringende herstellingswerken worden uitgevoerd aan de rechtse voorbouw en aan de trapzaal, wat als een gelegenheid werd gezien om ook de inrichting te renoveren. In oktober 1829 gaf Willem I aan de Antwerpse schilder en directeur van de Kunstacademie Matthias Van Bree de opdracht een salon op de eerste verdieping in te richten als een representatieve ontvangstruimte. Van Bree, die ook gemeenteraadslid was, stelde voor de Zaal der 17 Provinciën een iconografisch programma op dat de grootsheid van de Oranjedynastie moest benadrukken en dat door de koning werd goedgekeurd.
In de wanden van het vertrek bracht Van Bree vier historische halfreliëfs aan waar hij zelf de tekeningen op ware grootte voor had geleverd. Hij liet het werk in pleister uitvoeren door twee van zijn beste leerlingen: de jonge beeldhouwers Willem Geefs, die 10 jaar later ook het Antwerpse Rubensstandbeeld zou maken, en Jan Baptist de Cuyper. Het was de bedoeling dat de halfreliëfs later in marmer zouden worden uitgekapt, maar gezien de nakende gebeurtenissen is dat er nooit van gekomen. Een eerste halfreliëf beeldt de eed van Claudius Civilis uit tijdens de Bataafse opstand tegen de Romeinen. In de iconografie van de Oranjedynastie verwijst deze Claudius Civilis eigenlijk naar Willem van Oranje als aanvoerder van de Nederlandse opstand tegen de Spaanse koning Filips II.
Een tweede halfreliëf toont het bezoek van de Russische tsaar Peter de Grote aan de scheepswerven in Zaandam in 1697. De grote tsaar had overigens in dezelfde periode ook de Antwerpse scheepswerven bezocht, maar deze locatie kan moeilijk met de uitbeelding in het halfreliëf worden geassocieerd aangezien dat op geen enkele manier de Oranjedynastie verheerlijkt.

halfrelief bezoek Peter de Grote aan Zaandam

Wel zal het een rol hebben gespeeld dat Anna Paulowna (1795-1865), zuster van de Russische tsaar Alexander I, de echtgenote was van de Nederlandse kroonprins en dat het koppel, met hun kinderen, graag en regelmatig in het Antwerpse paleis verbleef. De twee overige halfreliëfs tonen de aanbieding van de Engelse kroon, in 1689, aan stadhouder Willem III en de kroning van koning Willem I in 1815.

Rond de kroonluchter liet Van Bree op het plafond 18 wapenschilden aanbrengen: die der Zeventien Provinciën die in de zestiende eeuw de Nederlanden vormden én het wapenschild van het Prinsbisdom Luik dat in de zestiende eeuw niet tot de Bourgondische Nederlanden behoorde, maar nu wel deel uitmaakte van het nieuwe koninkrijk. Het kostte enige moeite om van elk der voormalige 17 provinciën het juiste wapenschild te vinden. Een ambtenaar van de provincie Antwerpen moest er een intense briefwisseling voor voeren.
In een fries bovenaan de vier muren zijn 24 medaillonportretten van historische personages opgenomen. Dit werk werd uitgevoerd door Jozef de Cuyper, nog een andere leerling van Van Bree. De portretten op de medaillons zijn vooral verbonden met de geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden. Onder elk portret staat de naam van de geportretteerde, in het Frans.
De 24 medaillons tonen de portretten van vijf leden van de Oranjedynastie (Willem van Oranje, Maurits van Nassau, Willem Hendrik van Nassau, Willem III van Oranje, koning Willem I), zes Noord-Nederlandse staatslieden en militaire aanvoerders uit de Gouden Eeuw (graaf Philips van Hohenlohe, Diederick van Sonoy, Jan van Galen, Piet Hein, Michiel de Ruyter, Maarten Harpertszoon Tromp), keizer Karel V en diens raadsman Willem van Croy, de auteur van het Wilhelmus Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, de Bataafse held Kattenwald, de 15de-eeuwse Haarlemse drukker Laurens Janszoon Coster, Desiderius Erasmus, de cartografen Gerardus Mercator en Abraham Ortelius, de schilders Peter Paul Rubens (die in de eerste helft van de 19de eeuw ook in de Noordelijke Nederlanden werd aanzien als de grootste schilder uit de geschiedenis van de Nederlanden), Rembrandt van Rijn en Adriaen van der Werff en de Leidse arts Herman Boerhaave.
Ten slotte werd ook de Luikse componist André Grétry (Luik 1741-Parijs 1813) in de lijst van geportretteerden opgenomen. Hij is de enige die op geen enkele manier nóch met de 16de-eeuwse Nederlanden, nóch met de Noord-Nederlandse geschiedenis geassocieerd kan worden. Grétry verliet Luik al op 19-jarige leeftijd en zijn loopbaan speelde zich voornamelijk af in Italië, Zwitserland en Parijs. De Franse koningin Marie-Antoinette was de doopmeter van een van zijn kinderen en door Napoleon werd hij benoemd tot Chevalier in de Orde de la Légion d’honneur. Waarschijnlijk werd hij toch in de reeks opgenomen omdat enerzijds een Luikenaar niet kon ontbreken en anderzijds ook een componist in de reeks thuishoorde. Muziek werd in de 19de eeuw immers als de meest verheven kunstvorm beschouwd. Voor portrettering in de Zaal der 17 Provinciën kon vermoedelijk geen geschikte componist gevonden worden in de Noord-Nederlandse geschiedenis. Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) die daarvoor in aanmerking had kunnen komen was rond 1830 niet algemeen bekend.

Het portret van Karel V (1500-1558) kreeg niet toevallig een prominente plaats naast Willem van Oranje (1533-1584) en diens zoon Maurits. Koning Willem I (1772-1843) meende immers dat hij met zijn eenmakende opdracht in directe lijn stond met Karel V. In een toespraak voor de Staten-Generaal op 21 september 1815 verwees hij daarnaar: “Karel V was overtuigd dat de Nederlanders niet alleen moesten gehoorzamen aan dezelfde soeverein, maar ook door dezelfde wetten moesten bestierd worden. Nochtans heeft hij zijn leven niet kunnen toewijden aan dit heilzaam werk; en in plaats van deze vereniging, die hij en zijn kwekeling Willem de Zwijger verlangd hadden, moest men zich welhaast aan een droevige scheiding onderwerpen.” De koning kan niet vermoed hebben hoe profetisch zijn woorden wel waren …

Scheiding
In mei 1829 maakte Willem een officiële rondreis door zijn Belgische provincies. Hij wilde zelf kunnen inschatten hoe ernstig er de bezwaren waren die tegen zijn beleid meer en meer de kop op staken. De Belgen verweten hem namelijk een antiliberaal en antikatholiek beleid, een onevenwichtige verdeling van de belastingheffing tussen Noord en Zuid, een beknotting van de persvrijheid en een eenzijdig taalbeleid (de Franstalige provincies verzetten zich tegen pogingen om het Nederlands,– “une langue pour ainsi dire inconnue en Europe”, aan hen op te dringen). Maar tijdens zijn bezoek aan Antwerpen, waar de economische bezwaren dankzij de florerende havenactiviteiten minder uitgesproken waren dan in de rest van het land, werd de koning goed afgeschermd van potentiële criticasters. Hij werd niet geconfronteerd met een tegen zijn beleid gerichte petitie die tijdens zijn bezoek in Antwerpen rondging en hij reisde gerustgesteld en opgetogen verder.
De liberale krant le Courrier des Pays Bas had het voorspeld: “er is grootelyks te vrezen dat hij [= Willem] … geduerende zijn reys meer zal omringd zijn door staetslieden, die op het budget leven, en door de industrieelen, die een aendeeltje hebben in het miljoen der nationale nyverheid , dan door eenvoudige schatpligtigen, die met eene hand, ja met twee tegelyk betaelen, zonder een enkel duytje van het budget of het nyvermiljoen te trekken …” (geciteerd in Den Antwerpenaer van 3 juni 1829).
Of, zoals Floris Prims het omschrijft: “zyn bezoek eindigde gelijk dat van eenen inspecteur, die alles natuerlyck in orde vindt, wanneer hy van zyne komst voorop berigt heeft.”

Willem’s initiatief een paar maanden later, tot het versieren van de Zaal der Zeventien Provinciën met een iconografie die de Oranjedynastie verheerlijkte, toont goed aan hoe de ware aard van de problemen hem ontging.
Het werk aan de inrichting van de zaal duurde tot juli 1830. Nauwelijks een maand later brak in Brussel de Belgische revolutie uit. In oktober plaatste de prins van Oranje (de latere Nederlandse koning Willem II ) zichzelf vanuit het Antwerpse Koninklijk Paleis, in een laatste wanhoopspoging, aan het hoofd van de opstandelingen. Hij wilde immers graag zelf koning der Belgen worden. Dat was niet aanvaardbaar, noch voor koning Willem I, zijn vader, noch voor de Belgen. De kroonprins zag zich dan ook genoodzaakt de benen te nemen naar Londen. Op 27 oktober 1830 kwam Antwerpen in handen van de Belgische patriotten, na twee gruwelijk bloedige dagen van hevige straatgevechten tot onder de ramen van de Zaal der Zeventien Provinciën, waarbij de Nederlanders vanuit de citadel, waar zij zich hadden teruggetrokken, en vanaf hun oorlogsschepen op de Schelde urenlang de stad bombardeerden. Daarvan getuigt nog een andere Antwerpse herinneringsplek, minder prestigieus dan de Zaal der 17 Provinciën: de huisgevel van het huidige Café Banana’s aan de Sint-Paulusplaats waarin tussen de ramen van de eerste en de tweede verdieping al meer dan 175 jaren lang een Nederlandse kanonskogel wordt gekoesterd.

huisgevel huidige cafe banana’s

Omdat de Belgen na deze gebeurtenissen vreesden dat de grote Europese mogendheden hen alsnog de Nederlandse kroonprins als koning zouden opdringen, bepaalden ze in november per decreet dat “leden van het stamhuys van Oranje-Nassau voor altyd uyt alle magt of gezag in België uitgesloten zyn”. Deze bepaling geldt nog steeds: ook nu nog zijn de leden van het Huis van Oranje de enige wereldburgers die bij wet van de Belgische troon worden uitgesloten.

Ondanks de verandering van regime, de tiendaagse veldtocht in 1831, de beschietingen die de Antwerpenaren vanuit de tot in het najaar van 1832 door de Nederlanders bezette citadel moesten ondergaan, de blokkade van de Schelde en het uitblijven tot in 1839 van de officiële erkenning van België door Nederland, werd de iconografie van de Zaal der Zeventien Provinciën nooit gewijzigd. In 1831 werd het Koninklijk Paleis ter beschikking gesteld van de nieuwe Belgische dynastie, maar het werd door het koninklijk hof slechts sporadisch gebruikt, waardoor het niet echt de status had van een officiële hofresidentie met de daarmee samenhangende verplichtingen qua decorum. Deels zal dit verklaren waarom de inrichting van de Hollandse Zaal niet werd aangepast. De historische verwijzingen naar het vorige regime verhoogden bovendien de grandeur van het gebouw en van haar gebruikers. Ook kunnen de orangistische sympathieën die in Antwerpen toch nog tot ca. 1836 voortleefden voor een bufferperiode gezorgd hebben, net als het feit dat de schepper van de zaal, Matthias Van Bree, ook na de Omwenteling de gerespecteerde directeur van de Antwerpse kunstenaarsacademie bleef, tot aan zijn dood in 1839. Van Bree en zijn medewerkers werden in oktober 1833 zelfs nog door de Belgische regering uitbetaald voor hun werk, van vóór de revolutie, aan de Zaal der Zeventien Provinciën.

Nog tot 1969 bleef het Koninklijk Paleis functioneren als Antwerpse residentie van de Belgische monarchie. Daarna werd het omgevormd tot een cultureel centrum. De Zaal der Zeventien Provinciën werd enkel gebruikt voor tijdelijke tentoonstellingen, en haar oranje muren en haar versieringen waren daarbij door de tentoonstellingspanelen vaak aan het oog van het publiek onttrokken.
Momenteel wordt het paleis gerestaureerd, en dus ook de Zaal der Zeventien Provinciën die daarna voor het eerst in al haar Hollandse splendeur door het publiek bewonderd zal kunnen worden. Als lieu de mémoire zal de zaal de bezoekers herinneren aan de korte periode van hereniging van de Nederlanden, onder de Oranjedynastie, én aan de plotse, onverwachte en definitieve scheiding.

Zaal in restauratie

Gebruikte bronnen:
1. De 25 dagen van Antwerpen, Antwerpen, deel 15, p. 363-366
2. Debruyn, M., Het paleis op de Meir in Antwerpen: van particuliere woning tot keizerlijke en koninklijke verblijfplaats (Leuven, 2004).
3. Den Antwerpenaer (Antwerpen 1829).
4. Het Koninklijk Paleis: bouwer en bewoners (Antwerpen 1970)
5. Janssens, J., De helden van 1830. Feiten & mythes (Antwerpen 2005)
6. Mertens, F. en K.L. Torfs, Geschiedenis van Antwerpen, deel 7
7. Prims, F., Het Koninklijk Paleis te Antwerpen (Antwerpen 1931)
8. Prims, F., De geschiedenis van Antwerpen, Antwerpen, 1927-1949, deel VIII.
9. Rijksarchief Antwerpen, bundel J340A.

Bron: E-zine cultuurwetenschappen, 14-09-2008

15 november 2008

Arabische versie Marike van Nimwegen gevonden

Oud Arabisch manuscript van Mariken van Nieumeghen ontdekt

In een 19e-eeuws handschrift uit Oost-Turkije ontdekte de Nijmeegse hoogleraar Herman Teule vorig jaar iets opmerkelijks: een Arabische vertaling van het 17e-eeuws verhaal Mariken van Nieumeghen.

Geschenk
Het Instituut voor Oosters Christendom van de Radboud Universiteit kreeg in 2007 een stapel 19-eeuwse handschriften cadeau. De schenker was dr. Jan Sanders, specialist op het gebied van het christendom in het Midden-Oosten. Het oog van prof. Teuler, hoogleraar oosters christendom, viel toevallig op een handschrift uit 1821, opgetekend in de Turkse stad Mardin, vlakbij de grens met Syrië.

De stad Numája?
De tekst van het handschrift bleek in het Arabisch geschreven te zijn, maar genoteerd in het oud-Syrische schrift, een combinatie die de tekst lastig te lezen maakt. Vandaar dat Teule niet meteen wist wat hij las. “Er stond iets als: 'Er was een meisje geboren, Mariam, in het land…' en dan stond er een woord dat onleesbaar was door de codes die de schrijver gebruikte. Iets als Jaldariyya of zo, meer kon ik er niet van maken. Ik had er ook nog nooit van gehoord. Maar goed, ik las verder: '… in de stad Numája' – dat zei me ook niets.”

Gelre en Nijmegen
Hoe verder Teule vorderde, des te bekender kwam het verhaal hem voor. Het leek wel Mariken van Nieumeghen. “Jaldariyya zou dan Geldria of Gelre zijn, en Numája inderdaad Nijmegen,” zegt Teule. Nadere bestudering en vergelijking maakten duidelijk dat de hoogleraar inderdaad een verkorte versie van het Mariken-verhaal in handen had.

Missionarissen
Hoe kwam dat vroeg 16e-eeuwse verhaal, dat rond 1515 voor het eerst in druk verscheen in Antwerpen, in het 19e-eeuwse handschrift uit Mardin terecht? “Op zich is het niet héél vreemd dat het Marikenverhaal in de Arabische wereld is beland”, vertelt Teule. “In de 16e- en 17e-eeuwse trokken diverse Nederlandse en Vlaamse missionarissen naar het oosten om de christenen in het Midden-Oosten te winnen voor het westerse, Europese christendom. Daartoe vertaalden ze veel belangrijke theologische of devotionele werken vanuit het Latijn, Italiaans of Frans in het Arabisch.”

Via 18-eeuws Italië
Het duurde even voordat Teule de bron van ‘zijn’ Syrisch-Arabische Mariken gevonden had. “Mariken van Nieumeghen is al eind 16e-eeuwse, begin 17e-eeuwse eeuw in het Latijn vertaald. Die versie is echter niet naar het Arabisch vertaald, maar wel al vrij snel naar het Italiaans. Alleen bleek ook díe versie niet de bron van de Mariken uit Mardin.’

Sint Alphonsus
Verder speurwerk naar Marikenvertalingen leidden Teule naar de Italiaanse auteur en heilig verklaarde stichter van de redemptoristen Alfonso de Liguori (1696-1787): die bleek zowel de Latijnse als de Italiaanse vertaling te kennen. “En die twee uitgebreide versies van het Marikenverhaal heeft hij tot een kortere, Italiaanse versie samengevat, die hij opnam in zijn boek Glorie di Maria, dat in 1750 verscheen. Die versie en de tekst uit het manuscript dat ik voor me had, komen vrijwel voor honderd procent overeen.”

11 oktober 2008

Afrikaners vragen steun Nederland

Het Vrijheidsfront Plus (VF+) wil dat Nederland in actie komt om Nederlandse straatnamen in Pretoria te redden. Het front, de politieke partij die in Zuid-Afrika de belangen van de Afrikanerminderheid dient, heeft daarom dinsdag de Nederlandse ambassadeur in Pretoria, Rob de Vos, hierover een memorandum aangeboden.

Het verzoekschrift ging vergezeld van 27 tulpen, één tulp voor elke straat waarvan de gemeente de naam wil veranderen. Tot de straatnamen die de gemeente Pretoria wil wijzigen wegens de ’aanstootgevende verwijzing ervan naar het koloniale- en apartheidsverleden’ behoort de Koningin Wilhelmina Rylaan, waaraan toevallig de Nederlandse ambassade is gelegen.

Bron: Reformatorisch Dagblad 16-09-2008

6 oktober 2008

Nieuwsbrief Zannekin 4/2008 is uit!

De heel-Nederlandse cultuur-historische vereniging Zannekin brengt nieuws en actualiteit in de jongste nieuwsbrief, tevens de eerste nieuwsbrief van 2008. Zie hier een greep uit de inhoud:

  • Zannekin-ontmoetingsdag te Wezel op 11 oktober

  • Nederlands leren in Gabrovo (2) 
  • Vlaamse migranten in de Middeleeuwen 
  • Bron: Zannekin

    28 september 2008

    Manifest vor de Lage Landen

    Manifest voor de Lage Landen

    Indien het nog nodig was hebben de bij momenten surrealistische politieke perikelen van het voorbije jaar ten overvloede aangetoond dat België niet alleen een land van interim-regeringen, maar ook louter een interim land met een hoge verdampingsfactor geworden is.

    Ondanks de tricolore achterhoedegevechten wint de confederalistische visie die een zo groot mogelijke autonomie voor de deelstaten nastreeft, steeds meer veld.

    In deze optiek is het daarbij levensnoodzakelijk dat de interne confederatie binnen het België van weleer, een opstap moet betekenen naar een bredere confederatie van de hele Lage Landen.

    In Europees perspectief

    Voor deze Heel-Nederlandse integratie pleiten, in het kader van het groeiend Europa, zowel sterke culturele als economische argumenten.

    De Europese integratie op economisch, monetair en steeds meer ook op sociaal vlak, heeft een almaar grotere impact op het dagelijks bestaan van de mensen, zodat ze onvermijdelijk ook tot een grotere coördinatie en integratie op politiek vlak moet leiden. Het emancipatieproces van de taalgemeenschappen in de Belgische staat naar steeds grotere autonomie staat daar niet haaks op. Het getuigt precies van het artificiële karakter van de Belgische constructie die tot stand kwam onder druk van de belangen van enerzijds zeer kleine lokale elites en anderzijds de toenmalige grootmachten.

    Ook de Europese Unie is natuurlijk geen liefdadigheidsproject. Ondanks het feit dat op veel terreinen natiestaten hun bevoegdheden aan het Europese niveau overgedragen hebben, blijven ze grote invloed uitoefenen omdat ze het finale beslissingsniveau blijven van de EU.

    Wij stellen ook vast dat grotere natiestaten hun invloed laten gelden, vaak ten koste van de belangen van kleinere natiestaten. In die context is het duidelijk dat gemeenschappen die veel met elkaar delen (taal, economische structuur, politieke opvattingen) uit louter rationele overwegingen beter gezamenlijk hun belangen verdedigen dan afzonderlijk, laat staan dat ze elkaar zouden beconcurreren. Zoals Jean Jaurès stelde: “Un peu d’internationalisme éloigne de la nation, beaucoup d’internationalisme y ramène.”

    Het is duidelijk dat een verregaand afstemmen van Noord en Zuid op elkaar ons stevige economische troeven in de hand moet spelen tegenover de wild om zich heen grijpende globalisering.

    Jarenlang aanslepende problemen zoals de IJzeren Rijn, waarbij Nederland gaat aankloppen bij Duitsland en Frankrijk, maar een as met ons Zuiden maar niet tot stand komt, dienen in het kader van deze eenheidsvisie aangepakt.

    Het enorme havenpotentieel van beide deelgebieden kan in positieve zin samengroeien tot een nieuwe Gouden Delta, een stromende levensader te midden van Europa.

    Taal en identiteit

    Tachtig procent van de menselijke communicatie gebeurt via de taal. De structuur van de taal bepaalt van jongs af aan ook de structuur van het denken. Bovendien geven de mogelijkheden aan concepten binnen zijn moedertaal ook de contouren van het wereldbeeld aan dat ieder mens zal ontwikkelen.

    Later wordt de invloed van de taal weliswaar verminderd in de mate dat een kind verder gesocialiseerd wordt en andere elementen zoals leefomgeving, religie, ideologie, politiek, enz. aan belang winnen. Niettemin is het duidelijk dat de taal een fundamentele rol speelt in het ontwikkelen en het bepalen van de identiteit van ieder individu. Doordat de taal één van de belangrijkste dragers is van ons denken, en mensen sociale wezens zijn, hebben groepen die dezelfde taal spreken een speciale relatie met elkaar. De taal vormt aldus een krachtige band die bijzondere mogelijkheden biedt tot samenwerking, zeker als religieuze, politieke en andere scheidingslijnen zwakker worden. Om het met de woorden van de Franse filosoof Albert Camus te zeggen: “Ma patrie, c’est ma langue.”

    Eenheid in verscheidenheid

    Aansluitend hierbij zal een fundamentele basiswaarde van de Nederlanden die ons voor ogen staan, het respect voor hun interne diversiteit zijn.

    Daarin zullen de Friezen en de Luxemburgers zich in eigen taal en cultuur thuis voelen, er zal aan de rechten van de Franstaligen uiteraard niet geraakt worden.

    Wallonië kan volwaardig plaatsnemen in dit Lagelands verbond, waarbij – naast de erkenning van haar toebehoren tot de francofonie – tevens ruimte geschapen wordt voor een revitalisering van de thans in België nagenoeg volledig verdrongen en ondergesneeuwde Waalse en Picardische talen.

    Aan de zorg voor het Nederlands zal een primordiale rol worden toebedeeld. Zo mag openheid voor het andere ons niet blind maken voor een nefaste verengelsing van ons onderwijs.

    En intern moeten wij blijven ijveren voor een echte standaardtaal die Noord en Zuid verbindt, zodat wij als gemeenschap niet door  de  eigen taal dreigen verdeeld te worden. De ondertiteling van Nederlandse en Vlaamse tv-programma’s in een eigen idioom is daar slechts één beschamend voorbeeld van.

    Een instituut als de Nederlandse Taalunie dient in dit verband tot meer slagvaardigheid geactiveerd te worden, opdat het uit zou groeien tot een krachtig instrument ten dienste van de 22 miljoen Nederlandstaligen.

    Het eenheidsproces van de Lage Landen is niet gediend met loze kreten in het luchtledige. Wie nu bijvoorbeeld om referenda daaromtrent vraagt, spant de kar voor het paard.

    Tegenstellingen vertrekken vanuit onzekerheid (het niet kennen van elkaar), maar in de  mentaliteitsverschillen tussen Noord  en  Zuid ligt juist de kracht voor een succesvolle integratie.

    Als we de wederzijdse hebbelijkheden wat beter kunnen relativeren en de positieve eigenschappen uitvergroten, kunnen we tot meerwaarden komen op velerlei gebied.

    Wij pleiten voor een realistische en dus stapsgewijze integratie via toekomstgerichte projecten. Zo kan het belang van grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden zoals die met Zeeuws- en Frans-Vlaanderen en tussen beide Limburgen of Antwerpen en Noord-Brabant niet genoeg benadrukt worden.

    Deze pragmatische opbouw moet kaderen in een totaalvisie op de uiteindelijke eenheid. Wij beseffen dat het een ambitieuze visie is. Maar onder andere de Europese eenwording zal ons – willens nillens – tot steeds intenser samengaan dwingen.

    Dat we van elkaar weggroeien is dus niet wenselijk. Politiek is het noodzakelijk om met elkaar op te trekken.

    Wij roepen dan ook op tot een samenwerking van allen die, in Noord en Zuid, over partijgrenzen en maatschappelijke positioneringen heen, de Nederlanden als bezielende uitdaging willen helpen realiseren.

    Het idee voor dit manifest werd gelanceerd op een bijeenkomst van oud-leden van de Heel-Nederlandse jeugdbeweging, te Edegem op 15 maart 2008. Het manifest kan worden gesteund door een steunverklaring te sturen naar Maurits Cailliau (maurits.cailliau@skynetbe) of een brief te sturen naar: Paddevijverstraat 2, B-8900 Ieper

    20 februari 2008

    Erfgoeddag 2008. Wordt verwacht. Groot-Nederland?

    Erfgoeddag 2008. Wordt verwacht. Groot-Nederland?

    In 1830 ontstaat uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een Belgische natiestaat. Hoewel Vlamingen en Nederlanders nu in een ander staatsverband leven, willen vooral Vlaamse ‘taalminnaars’ de ‘broederband’ nauwer aanhalen om het Nederlands in Vlaanderen te ondersteunen. Vanaf de jaren 1840 ontwikkelen zich culturele, wetenschappelijk en studentikoze contacten: de jaarlijkse Nederlandse Taal- en Letterkundige Congressen vanaf 1849; de oprichting in 1898 van het Algemeen Nederlands Verbond dat de Nederlandse taal en cultuur overal ter wereld wil ondersteunen; de jaarlijkse Groot-Nederlandse Studentencongressen vanaf 1910. In al deze en andere initiatieven is een politieke hereniging niet aan de orde.

    Door de opkomst van een radicale Vlaamse beweging na de Eerste Wereldoorlog wordt Groot-Nederland tot politiek ideaal verheven, maar eensgezindheid over hoe dat einddoel moet worden bereikt bestaat niet. Gematigde Vlaams-nationalisten staan als eerste stap een federalistische omvorming van de Belgische staat voor. Een tweede groep radicale Groot-Nederlanders rond enkele naar Nederland uitgewerken activisten zijn rabiaat anti-Belgisch: België moet verdwijnen vooraleer Groot-Nederland kan worden opgericht. Een derde groep ten slotte koppelt Groot-Nederland aan een fascistische maatschappij ordening en de verwerping van de politieke democratie. Ondanks de propaganda voor Groot-Nederland is duidelijk dat er in Vlaams-nationalistische kringen nauwelijks initiatieven ondernomen worden om de vereniging met Nederland in de praktijk te realiseren. Als utopie beschikte de Groot-Nederlandse idee over voldoende wervingskracht.
    Twee historici – Pieter van Hees en Romain Vanlandschoot – zullen op de erfgoeddag over dit thema een lezing geven. Daarnaast kan de bezoeker kennismaken met het iconografische materiaal over de Groot-Nederlandse beweging.

    Bron: Archief- en Documentatiecentrum van het Vlaams-nationalisme

    Bijeenkomst: 13 april 2008 te Antwerpen, doorlopend van 10u tot 18u

    3 februari 2008

    Benelux 50 jaar

    Vandaag is het precies 50 jaar geleden dat het Benelux-verdrag werd ondertekend door Nederland, België en Luxemburg. Dit legde de basis voor verdere economische en politieke samenwerking binnen de Europese Unie (toen: EEG). De Benelux is van historisch belang, aangezien het min of meer de XVII Provinciën omvat, die na de Vrede van Munster in 1648 uit elkaar is gevallen in steeds kleinere delen.

    Heden ten dage houdt het comité Benelux 2010 zich actief bezig om de Benelux Unie te promoten. Er is een manifest, een comité van aanbeveling en een website (http://www.benelux2010.com). De website is onlangs bijgewerkt en er zal de komende tijd aandacht gevraagd worden via de media voor de revitalisering van de Benelux omwille van het ideaal van de XVII Provinciën en de toekomst van onze landen in Europa.

    De redactie

    27 januari 2008

    Molens in Frans-Vlaanderen

    Vandaag vond ik een mooie website met foto's en informatie over windmolens in Frans-Vlaanderen. De beheerder van deze website, Donald Vandenbulcke, is in de afgelopen jaren in Zuid-Holland, Zeeland, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen rondgereist om foto's te maken van de lokale molens. Hij heeft een speciale website gewijd aan de Frans-Vlaamse molens met daarop ook oude prentkaarten van de molens aldaar alsmede een hoop informatie. Voor de geïnteresseerden zijn er ook CD's te koop met daarop foto's en informatie over molens in de regio's waar hij is geweest in zijn molenzoektocht. Uiteraar bevelen wij als minnaars van de Nederlandse cultuur -in het bijzonder de symbolen daarvan zoals de windmolen- deze website van harte aan onze lezers.

    Website: Windmolens in Frans-Vlaanderen

    Molen

    Molen 'Ondank' te Boeschepe

    23 januari 2008

    Groot Dictee in Zuid-Vlaanderen

    Groot Nederlands Dictee 2008 in het Huis van het Nederlands te Belle

    Kosteloos aanmelden in Huis van het Nederlands tot 21 februari

    Iedereen valt in de prijzen

    Organisatie: Davidsfonds Frans-Vlaanderen

    Info: Huis van het Nederlands

    37 rue d'Ypres

    F - 59270 Bailleul / Belle

    Tel./ Fax : 03.28.41.17.32

    E-mail : mnl.bailleul@free.fr

    Internet : Huis van het Nederlands

    22 januari 2008

    Nieuwsbrief Zannekin 1/2008 is uit!

    geDe heel-Nederlandse cultuur-historische vereniging Zannekin brengt nieuws en actualiteit in de jongste nieuwsbrief, tevens de eerste nieuwsbrief van 2008. Zie hier een greep uit de inhoud:

  • Mededelingen

  • "The old Alliance"
  • Arm Wallonië
  • Bron: Zannekin

    18 januari 2008

    In Brussel is Nederlands spreken gewenst

    Franstalige Belgen sturen hun kinderen steeds vaker naar Vlaamse scholen. Dat is beter voor hun toekomst - en misschien ook wel voor die van België.

    ’Voorbij de poort, spreken wij Nederlands zoals het hoort.’ Het motto van de basisschool in Sint-Agatha-Rode lijkt vanzelfsprekend, maar is het niet. Deze dorpsschool in Vlaams-Brabant ligt vlakbij de taalgrens, die België verdeelt in een Franssprekend en een Nederlandstalig deel. Ongeveer de helft van de leerlingen op de school spreekt thuis Frans.

    Bij de Wimpel, een Nederlandstalige basisschool in de Brusselse gemeente Elsene, hangt een bord met spelregels: Als iemand Frans spreekt, krijgt zijn klas een rode bol. Aan het eind van de week krijgt de klas met de minste rode bollen een duim. De klas met de meeste duimen krijgt na drie maanden een cadeau. In Brussel, waar de overgrote meerderheid Frans spreekt, ook de mensen die van Arabische of Afrikaanse komaf zijn, is het ook veel moeilijker om die taal buiten de deur te houden.

    Even verderop, op ’t Regenboogje in Etterbeek, waait een andere wind. Hier geen bord dat Nederlands op het schoolplein voorschrijft - en daar is dan ook veel Frans te horen. Deze buurtschool, met kinderen van zo’n dertig verschillende nationaliteiten, heeft gekozen voor een vrijere omgang met de verschillende talen.

    Tot een jaar of zes geleden was ook ’t Regenboogje streng in het handhaven van het Nederlands. „Als de kinderen op het speelplein Frans spraken, werden ze bestraft” vertelt directrice Nancy Nuyts. „Kinderen die in de klas Frans spraken, moesten tegen de muur staan of strafregels schrijven. Maar dat werkte niet, het kostte ook te veel energie van de leerkrachten.”

    Bovendien gingen de kinderen Frans met straf associëren en dat leverde problemen op in het derde leerjaar (de vijfde groep in Nederland). Dan krijgen alle kinderen op Brusselse basisscholen drie uur per week les in de ’andere taal’. „Tegen die tijd wilden de Vlaamse kinderen geen Frans meer leren, want ze legden de link met straf.”

    ’t Regenboogje heeft zes jaar geleden het roer omgegooid. Alle kinderen krijgen hier vanaf het eerste leerjaar (de derde groep) Franse les. Dat gebeurt tijdens een knutseluurtje, waarbij alles zoveel mogelijk in het Frans gaat. „We willen ze een taalbad geven, met hetzelfde thema als tijdens de andere lessen van die week. Dus als ze met fruit bezig zijn, leren ze de Franse namen van dat fruit.”

    Deze aanpak stuit in het door taal verdeelde België meteen op praktische problemen. Want de Vlaamse Gemeenschap, die de school financiert, wil helemaal geen Franse les voor de kleintjes. Dus daar krijgt de school ook geen geld voor. Het is zelfs verboden om de kinderen in het Frans nieuwe leerstof aan te bieden. „We mogen alleen herhalen wat ze in het Nederlands al geleerd hebben. Als ze het in de klas over appels en peren hebben gehad, mag er in de Franse les geen sinaasappel op tafel komen.”

    Nuyts begrijpt de gevoeligheid van de taalkwestie wel. „Dit is een Nederlandstalige school en dat willen we ook zo houden. In de klas wordt altijd Nederlands gesproken, behalve als de kinderen een keer triest of kwaad zijn. Dan gebruiken zij hun moedertaal, wie doet dat niet? Als ze in de les toch Frans spreken, zeggen de leerkrachten nu: Allez, komaan, probeer ’t in het Nederlands.”

    De school zelf communiceert uitsluitend in het Nederlands, beklemtoont Nuyts. „Op de ouderavonden spreken de meesters, juffen en ik altijd Nederlands. Een lid van de oudercommissie vertaalt dat in het Frans voor de ouders die het anders niet begrijpen.” Die concessie stuit al op weerstand. Bij flamingante ouders, maar ook bij Franstaligen die juist bewust voor een Vlaamse school hebben gekozen en nu toch in hun eigen taal aangesproken worden.

    Veel Franstalige ouders in Brussel sturen hun kinderen tegenwoordig naar Nederlandstalige scholen. „Het Vlaamse onderwijs heeft een goede naam”, zegt Nuyts. Ook al zijn de ouders zelf het Nederlands niet of nauwelijks machtig, ze beseffen maar al te goed dat de toekomst van hun kinderen afhangt van hun talenkennis.

    „De werkgelegenheid is de belangrijkste motivatie”, zegt Nuyts. „De Franstaligen en de anderstaligen weten hoe belangrijk kennis van het Nederlands is om werk te vinden.” Voor veel openstaande vacatures is tweetaligheid een vereiste en veel Brusselse werkzoekenden stuiten juist op deze eis.

    „Het is triest als dat de enige motivatie is”, zegt Christophe Nivault, de vader van de driejarige Émile en zelf Fransman. „Maar voor de meeste Franstaligen is het wel zo. Op het werk is er een plafond voor mensen die geen Nederlands kennen.”

    Lucie Hanquet, moeder van Agnes en Emanuelle, heeft heel bewust gekozen voor ’t Regenboogje. „Niet alleen vanwege de economie, maar uit principe. We leven in een drietalig land.” Ook Duits heeft in België een officiële status. „Maar inderdaad, ook op mijn werk merk ik dat het belangrijk is Nederlands te kennen”, erkent Hanquet, die de taal zelf ’een beetje’ spreekt. „Het is moeilijk voor Franstaligen om na hun achtste jaar een andere taal te leren”, zegt ze. Daarom gaan haar dochters, de jongste is nog geen drie jaar, naar deze school.

    Niet alle Vlamingen zijn blij met de nieuwkomers. „Ook hier worden de Nederlandstalige scholen overspoeld door Franstaligen”, zegt Veerle Wauters, christen-democratisch gemeenteraadslid in Sint-Genesius-Rode, net ten zuiden van Brussel. Dat is een van de zogeheten faciliteitengemeenten in Vlaanderen, waar de Franssprekenden in hun eigen taal bij de overheid terecht kunnen. „Het niveau van het onderwijs daalt en op de speelplaats klitten ze samen. Ik twijfel ook aan de inzet van die mensen om te integreren. Het is meer opportunisme, zo maken hun kinderen meer kans op de arbeidsmarkt.”

    De Nederlandse schrijver en journalist Benno Barnard, die al dertig jaar in België woont, ergert zich aan zo’n opmerking. „De Vlamingen leerden vroeger ook geen Frans om Voltaire te kunnen lezen, maar omdat er in Wallonië werk was in de mijnen en de hoogovens. Natuurlijk leren de Franstaligen nu vooral Nederlands omdat ze anders in Brussel geen baan kunnen krijgen. Dat is toch prima?”

    De intocht van Franstaligen op de Vlaamse scholen is nu zo’n vijftien jaar bezig, zegt Barnard. „Dat gaat samen met de economische ontwikkeling. Het belang van Wallonië is afgenomen en dat van Vlaanderen is opgekomen. Natuurlijk bestaat er nog altijd een Frans superioriteitsgevoel: Wij spreken de taal van de Verlichting, van de rechten van de mens. Maar dat wordt wel minder.”

    Barnard woont in een oude boerderij, met uitzicht op de taalgrens. „Ja, dit is een strategische plek als België straks uiteenvalt”, erkent hij. Maar enthousiast klinkt dat niet, Barnard heeft vorige maand nog meegelopen in de grote demonstratie voor de eenheid van België. Met zijn twee kinderen, die in Sint-Agatha-Rode op school zitten. „Eendracht maakt macht, l’union fait la force, hebben ze urenlang gescandeerd.”

    Het trekken van de taalgrens in 1962 heeft het leven veranderd in deze streek, tussen de Waalse stad Waver en het Vlaamse Leuven. „Al onze buren zijn vroeger in Waver naar de middelbare school gegaan”, zegt Barnard. „Nu gaan hun kinderen naar Leuven.”

    Zo is de taalgrens een scheidslijn geworden. Terwijl vroeger de hele Belgische elite Frans sprak en de gewone man een Vlaams of Waals dialect, staan nu twee taalgroepen tegenover elkaar. „Dat is de ellende van de taalgrens”, zegt Barnard. „Een verticaal conflict tussen sociale klassen is een horizontale taalkwestie, bijna een etnisch conflict geworden.”

    De schrijver wil dat zijn kinderen ook Frans leren, ook al is hun moeder Amerikaans en spreken ze thuis Engels. „Maak toch gebruik van die talen”, raadt Barnard zijn landgenoten aan. „De romaanse cultuur is een geschenk aan de Vlamingen, mijn wereld reikt tot aan de Middellandse Zee.”

    Voor een buitenstaander lijkt de oplossing eenvoudig: tweetalig onderwijs voor iedereen. „Het verbaast mij ook dat er niet één tweetalige eliteschool is in Brussel”, zegt Barnard. „Maar het kan blijkbaar niet, in Vlaanderen is tweetalig onderwijs zelfs verboden.” Natuurlijk zijn er internationale en Europese scholen, met veel kinderen van diplomaten en eurocraten. „Maar die staan niet echt in België”, aldus Barnard. „Die zweven ergens in een hogere, internationale werkelijkheid.”

    De Brusselse moeder Lucie Hanquet heeft haar eigen droom: „Een tweetalige provincie Brabant.” Die zou Brussel en de wijde omgeving omvatten. Maar die droom staat ver van de huidige Belgische realiteit, waarin de taalgrenzen alleen maar scherper getrokken worden. Barnard ziet het ook nog niet gebeuren. „Bedenk wel dat Brussel ongeveer de laatste grote tweetalige stad is in Europa. Alle andere, zoals Straatsburg en Praag, zijn in veel bloed gesmoord.”

    Eén geruststelling: „Vlamingen en Walen hebben veel overeenkomsten en een daarvan is hun grote afkeer van geweld.” Barnard hoopt dat de Belgen voortmodderen in hun ’morsige’ vorm van samenleven, zoals ze al zo lang doen. „Ook als voorbeeld voor Europa. Want als België het niet kan, kan Europa het ook niet.”

    Bron: Trouw, 18-12-2007